COP30 Laat ontwikkelingslanden niet weer de rekening betalen


Soms voelt klimaatbeleid als een keuze tussen twee waarden die ik even sterk koester. Als Groene geloof ik dat we dringend moeten afstappen van fossiele brandstoffen om de aarde leefbaar te houden. Maar tegelijk zie ik hoe miljoenen mensen vandaag nog geen toegang hebben tot basisvoorzieningen, stabiele energie of kansen op een menswaardig bestaan. Armoede bestrijden betekent vooruitgang mogelijk maken. Klimaatactie betekent grenzen stellen aan wat vooruitgang vandaag nog mag kosten. Die twee idealen botsen soms in mijn hoofd en hart: hoe vraag je landen met lege middelen om te investeren in een groene toekomst, terwijl hun bevolking nog vecht voor basisrechten? Hoe zorg je ervoor dat klimaatoplossingen geen nieuwe vorm van ongelijkheid worden?

De klimaattop in Belém loopt op zijn einde. Terwijl delegaties vertrekken en slotteksten worden afgewerkt, blijft één vraag hangen: wat betekent deze mondiale verschuiving weg van fossiele brandstoffen voor landen die nog volop in ontwikkeling zijn?

Voor veel van deze landen is de keuze voor fossiele energie geen luxe, maar een noodzakelijke stap om economische groei, energievoorziening en basisdiensten te garanderen. Ironisch genoeg zijn net zij het meest kwetsbaar voor de gevolgen van de klimaatcrisis van mislukte oogsten en watertekorten tot extreme hitte en overstromingen terwijl hun historische bijdrage aan de wereldwijde uitstoot verwaarloosbaar is.

Toch is de boodschap op wereldniveau duidelijk: fossiele brandstoffen moeten worden uitgefaseerd. Wetenschappelijk gezien klopt dat. De planeet heeft geen tijd meer voor uitstel. Maar de realiteit toont een spanningsveld: landen worden aangespoord om de omschakeling te maken, terwijl financiële steun, technologische toegang en ontwikkelingsinstrumenten niet dezelfde urgentie krijgen. Zo dreigt de transitie ongelijk en onrechtvaardig te worden.

Ontwikkelingslanden vragen dan ook terecht hoe zij energiezekerheid kunnen waarborgen tijdens deze omschakeling, wie hen ondersteunt en of zij opnieuw de hoogste prijs betalen voor een crisis die ze niet veroorzaakt hebben.

Ook Vlaanderen en België spelen hierin een rol. Programma’s zoals het Flanders International Climate Action Programme en federale klimaatinspanningen zijn bedoeld om deze landen te helpen richting duurzame energie en economie. Maar net op een moment dat die steun cruciaal is, staan middelen en budgetten onder druk. Subsidies worden vertraagd of afgebouwd. Dat staat haaks op de ambities die we internationaal verdedigen.

Als we wereldwijd inzetten op het afbouwen van fossiele brandstoffen, dan moeten we tegelijk zorgen dat landen de middelen krijgen om mee te bewegen. Anders wordt klimaatbeleid een extra belasting voor wie al het minst buffer heeft.

De verantwoordelijkheid om ontwikkelingslanden te ondersteunen is geen gunst, maar een noodzakelijke correctie op een historisch onevenwicht. Wie het meest uitstootte, draagt de grootste verantwoordelijkheid om een rechtvaardige transitie mogelijk te maken. Dat vraagt internationale solidariteit, financiële engagementen en samenwerking rond technologie en kennis.

COP30 zal herinnerd worden als een moment waarop ambitie en voorzichtigheid elkaar ontmoetten. Maar uiteindelijk zal niet de tekst tellen, wel de uitvoering.

De transitie stopt niet aan grenzen. Klimaatbeleid werkt pas als het eerlijk is. Ontwikkelingslanden mogen niet opnieuw opdraaien voor een crisis die zij niet veroorzaakt hebben. Als we vooruit willen, moeten we zorgen dat ook zij kunnen meebewegen  met middelen, niet met lege beloftes.


Reacties